Generalistische predatoren bieden perspectief voor brede aanpak plagen in de sierteelt

Het project ‘Totaalsysteem voor plaagbestrijding met generalistische predatoren’ richt zich specifiek op de bestrijding van meerdere plagen in de sierteelt. Het plagencomplex in de sierteelt wordt steeds diverser en complexer om te bestrijden. Het is belangrijk om robuuste biologische bestrijdingssystemen te ontwikkelen die meerdere plagen tegelijk aanpakken.

In dit project wordt onderzocht 1) in hoeverre een breed plaagcomplex bestreden kan worden met generalisten, 2) of aanvullende bestrijding met specialisten nodig en effectief is, 3) met welke combinaties van generalisten complementaire bestrijding kan worden behaald en tot slot 4) wat een goede bijvoerstrategie is voor generalisten. De resultaten tot nu toe zijn veelbelovend.

Generalistische predatoren
Generalistische predatoren (bijvoorbeeld roofwantsen) bieden door hun brede prooidieet veel potentie voor bestrijding van zowel primaire als secundaire plagen. Bovendien kunnen ze preventief worden ingezet door het aanbieden van alternatief voedsel zoals stuifmeel, voermijten en/of Artemia. Verschillende studies hebben aangetoond dat het continu aanwezig zijn van predatoren (‘standing army’), voordat plagen optreden, vaak de meest effectieve manier van plaagbestrijding is. Afgelopen jaren zijn met deze benadering zeer goede resultaten behaald bij de bestrijding van trips in chrysant met inzet van de roofwants Orius laevigatus.

Brede werking met Orius
In chrysant, gerbera en alstroemeria is verder onderzoek gedaan met verschillende soorten Orius. De resultaten in gerbera en chrysant zijn veel belovend. In beide gewassen blijkt  Orius veel breder te werken dan gedacht. Niet alleen trips, maar ook bladluis, Echinothrips en wittevlieg werd goed bestreden. Helemaal verrassend was de werking op mineervlieg. Bij een goede vestiging van Orius blijken ze een hele goede bijdrage te leveren aan de bestrijding, doordat ze prederen op de mineervlieglarven die vlak voor verpopping uit het blad kruipen. Op deze manier vullen ze heel mooi de sluipwesp Diglyphus aan die de jongere stadia van mineervlieg in het blad parasiteert.
Verder bleek Orius ook een goede bijdrage te leveren aan de bestrijding van Turkse mot doordat ze zich voeden met de eieren en jonge rupsjes van deze mot. In het project wordt verder gekeken hoe verschillende soorten Orius elkaar kunnen aanvullen. Vooral in gerbera bleek dit een goede strategie. Orius laevigatus heeft in dit gewas een sterke voorkeur voor de bloemen, waar ze de Californische trips bestrijden, maar de plagen op het blad zoals wittevlieg en Echinothrips werden beter bestreden door Oriussoorten die meer op het blad foerageren, zoals Orius majusculus.

Een aanpak per gewas
Helaas werkt Orius niet goed in elk sierteeltgewas. Orius legt haar eieren in zacht plantenweefsel en in alstroemeria bleken ze een sterke voorkeur te hebben voor afzet in de bloembodem. Het probleem is dat deze bij oogst worden afgevoerd en er dan geen populatie wordt opgebouwd. Ook in roos en de meeste potplanten kan Orius zich moeilijk vestigen door de hardheid van het plantenweefsel. Voor deze gewassen wordt nu naar andere generalistische predatoren gekeken die minder afhankelijk zijn van de zachtheid van het plantenweefsel voor eileg en vestiging.

Het Onderzoek wordt gefinancierd door stichting KIJK, Ministerie van LNV via de Topsector T&U, de gewascoöperaties gerbera en Alstroemeria, stichting chrysant NL en Biobee. Uitvoering vindt plaats onder leiding van Gerben Messelink door Wageningen University & Research (WUR), BU Glastuinbouw in afstemming met Glastuinbouw Nederland.

Helma Verberkt

Glastuinbouw Nederland - © 2022