Geen pesticiden, maar sluipwespen en roofmijten pakken in bijna alle kassen plaaginsecten aan

Geen pesticiden, maar biologische bestrijders — zoals sluipwespen en roofmijten — pakken op 94% van de totale oppervlakte aan kassen in Nederland plaaginsecten aan. Dat blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) op 12 februari bekend heeft gemaakt. Voorzitter Adri Bom-Lemstra van Glastuinbouw Nederland spreekt van een positieve ontwikkeling. “Door het toenemend gebruik van ‘natuurlijke vijanden’ zetten telers van groenten, fruit, bloemen en planten grote stappen in het vergroenen van hun gewasbescherming en zijn er minder chemische middelen nodig.”

De CBS-cijfers laten zien dat in 2024 op bijna de volledige 10.000 hectare aan kassen in Nederland biologische bestrijders worden gebruikt. Dat is ongeveer vergelijkbaar met 2020. Opvallend is dat telers steeds vaker verschillende soorten biologische bestrijders inzetten op een groter deel van de oppervlakte aan kassen. Daarbij gaat het om bijvoorbeeld sluipwespen, galmuggen, roofmijten, -tripsen, -wantsen, -vliegen, -kevers en aaltjes. Zo groeide de oppervlakte waarop roofmijten en -tripsen werden gebruikt van 69% in 2020, naar 84% in 2024. “Door het gebruik van verschillende soorten biologische bestrijders slagen telers er ook in meer plagen te bestrijden”, aldus Bom-Lemstra.

Microbiologische middelen
Daarnaast gebruiken telers, volgens het CBS, op twee derde van de oppervlakte aan glastuinbouw microbiologische middelen, zoals bacteriën, tegen plaaginsecten. Het gebruik daarvan is het hoogst in de gerberateelt, waar dat op 90% van de oppervlakte gebeurt. Ook door deze ontwikkeling zijn minder chemische gewasbeschermingsmiddelen nodig.

Soorten versterken elkaar
Dat telers op een steeds grotere oppervlakte verschillende soorten biologische bestrijders inzetten, is volgens Bom-Lemstra goed nieuws. “Dankzij voortdurende innovatie is er tegenwoordig voor elk seizoen van het jaar wel een geschikt ‘beestje’ in te zetten. Dat is vooral van belang in de winter als veel insecten minder actief zijn.” De keuze om verschillende soorten biologische bestrijders te gebruiken, heeft ook te maken met de specifieke eigenschappen van een soort. “Een teler kan soorten kiezen die elkaar aanvullen en versterken. Zo verbetert hij de totale aanpak van zijn biologische bestrijding van plagen en zijn er minder chemische gewasbeschermingsmiddelen nodig.”

Stijging aantal ingezette ‘beestjes’
De oppervlakte waarop roofmijten en -tripsen worden ingezet, stijgt opvallend sterk in de tomatenteelt: van 18% in 2020 naar 66% in 2024. Sluipwespen en galmuggen worden vooral meer gebruikt bij bloeiende potplanten. Daar is een stijging van 29% naar 45%. Ook bij chrysanten is er een sterke toename, van 68% naar 82%. De oppervlakte waarop roofwantsen, roofkevers, gaasvliegen en zweefvliegen worden ingezet, stijgt het hardst in chrysant: van 10% naar 44%.

Hessel van der Heide

Glastuinbouw Nederland - © 2026